Kwalificaties op een show
Medewerkers van het secretariaat van een tentoonstelling of kampioenschapsclubmatch kunnen er over meepraten: over kwalificaties kunnen de emoties van exposanten hoog oplaaien. Op elke show komen er wel enkele mensen witheet klagen over de keurmeester die zo ondeskundig of bevooroordeeld was om hun perfecte hond geen uitmuntend te geven.
Op een hondententoonstelling worden de honden in de rasring beoordeeld door één keurmeester. Beginners verbazen zich daar wel eens over, want bij andere keuringen en sporten oordelen soms meerdere keurmeesters, soms zelfs een complete jury. Bij hondenshows echter is het nu eenmaal traditioneel zo geregeld dat per keuring steeds één persoon zijn mening geeft.
Keurrapport
De keurmeester heeft tot taak elke hond individueel te bekijken, te beschrijven en afrondend een kwalificatie toe te kennen. Bij het beschouwen zet de keurmeester de hond die voor hem (of haar) staat in gedachten af tegen het ideaalbeeld van dat ras. Dat ideaalbeeld staat beschreven in de standaard.
Wat in de ring gebeurt is eigenlijk best ingewikkeld. Het inschatten van de mate waarin een hond voldoet aan de standaard is bij uitstek een visuele bezigheid, maar de standaard is in woorden gevat en het keurrapport is ook een beschrijving.
Een keurmeester moet dus niet alleen goed kunnen waarnemen, maar ook nauwkeurig kunnen lezen en formuleren. Nederlandse keurmeesters worden daar goed in getraind. Dat het formuleren van keurrapport na keurrapport zo makkelijk niet is, merk je wel eens bij keurmeesters uit landen waar men dat gebruik niet kent. Als ze voor het eerst op een FCI-tentoonstelling ambteren wil hun woordenschat op zeker moment wel eens tekortschieten.
Een verslag moet kort en krachtig zijn. De bijzonder goede punten van de hond, indien aanwezig, moeten er in naar voren komen, maar ook de mindere, als die in de kwalificatie tot uitdrukking zullen komen. De verslagen dienen onderling met elkaar in balans te zijn. De beoordeling van de hond die beste van het ras zal worden moet belangrijker pluspunten en minder minpunten bevatten dan die van de hond die ongeplaatst de ring uit zal gaan. Dat vergt van de keurmeester dus concentratie en systematiek.
Kwalificatie
Elk keurrapport wordt afgesloten met een kwalificatie. De keurmeester heeft op grond van het Kynologisch Regelement vier mogelijkheden: uitmuntend, zeer goed, goed, en matig, Of eigenlijk vijf, want hij kan ook diskwalificeren.
Uitmuntend (U) is voor honden die in zo sterke mate aan de standaard voldoen dat een geringe afwijking of kleine fout het ideaalbeeld niet stoort. Deze honden hebben de kwaliteit om in aanmerking te komen voor een kampioenschapsprijs.
Zeer Goed (ZG) is voor honden die eveneens aan het standaard voldoen, maar een enkele onvolkomenheid hebben die het ideaalbeeld verstoort.
Goed (G) is voor honden die voldoen aan de standaard, maar verschillende afwijkingen van het ideale rasbeeld, of een ernstige fout vertonen.
Matig (M) is voor honden die in geringe mate aan de standaard voldoen of een zeer ernstige fout vertonen.
Honden die niet aan de standaard voldoen of een in de standaard genoemde diskwalificerende fout vertonen, kan de keurmeester de kwalificatie onthouden, oftewel diskwalificeren.
Niets is prettiger dan louter vrolijke gezichten om je heen. De kans daarop neemt voor een keurmeester toe als hij uitsluitend Uitmuntend toekent. Maar daar is hij niet voor. Indien nodig een oordeel uitspreken dat de ontvanger minder welgevallig is, hoort bij deze functie. Dat moet een keurmeester kunnen en durven. Een exposant op zijn beurt moet een eventueel minder goed oordeel kunnen aanvaarden. Wie daartoe niet in staat is, doet er beter aan thuis te blijven.
Verschillen in beoordeling
Ieder die zijn hond showt weet dat je van tevoren nooit zeker weet hoe je het er in de ring van zult afbrengen. Het algemene kwaliteitsniveau van de hond zal door de meeste keurmeesters wel op ongeveer gelijke wijze worden onderkend, dus een en dezelfde hond zal overwegend met een U of overwegend met een ZG worden beoordeeld.
Maar toch zijn uitschieters naar boven of onder altijd mogelijk. Eigenaars van honden die consistent G of M scoren zullen het showen meestal na een paar keer voor gezien houden, maar een keer een G krijgen kan de beste hond wel eens overkomen.
Er zijn exposanten die de verschillen in beoordeling niet begrijpen. Een deel van hen ‘pikt’ een minder gunstig oordeel ook niet. Aan dat niet accepteren is weinig te doen. Wie zijn hond uitbrengt doet dat om hem aan het oordeel van de keurmeester te onderwerpen. Dus het is een ongerijmde en onsportieve reactie als je de keurmeester dan het recht ontzegt zijn mening over je hond te geven. Wie het oordeel van een bepaalde keurmeester niet op prijs stelt, moet simpelweg niet onder hem inschrijven.
Maar wie het oordeel van de keurmeester wel aanvaardt, kan het daar toch wel eens moeilijk mee hebben. Want hoe komt het dan de mening van keurmeesters onderling kan verschillen?
Keuren is subjectief
Om te beginnen is de hond zelf vermoedelijk niet elke showdag in topconditie, en ook het voorbrengen kan de ene keer beter lukken dan de andere. Verschillen in beoordeling kunnen daar mee van doen hebben.
Maar de keurmeester speelt zeker ook een grote rol. Keuren heeft een objectieve basis: de standaard van het ras. Die geeft aan iedere keurmeester (net als aan iedere fokker) de enig juiste richting aan. Maar de standaard kan op punten voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Bovendien is keuren zonder subjectief oordeel niet mogelijk. Geen hond is namelijk volkomen identiek aan de standaard. Dus er moet steeds een afweging worden gemaakt welke er het dichtste bij in de buurt komt, en wie daarop volgt, enzovoorts.
De keurmeester heeft per hond enkele minuten om tot een oordeel te komen. Het hangt van de persoonlijke invalshoek, de kennis van en de connectie met het ras af waar hij de nadruk op legt en dus hoe zijn opinie en keuze uitvallen. Keurmeesters die voor diverse rassen bevoegd zijn en geen persoonlijke ervaring hebben met het ras, hebben vaak een goed oog voor algemene kynologische aspecten als bouw en gangwerk, of ze zijn extra attent op door de rasvereniging aangedragen aandachtspunten. Keurmeesters die als succesvolle fokker of toegewijde liefhebber het ras vanuit eigen ervaring kennen - rasspecialisten noemen we hen - leggen het accent op rasspecifieke details waar zij zelf alert op zijn. Beide benaderingen hebben hun waarde voor het ras.
Specialist
Je hebt als exposant een grotere kans een ‘algemeen’ georiënteerde keermeester tegen te komen dan een rasspecialist. Als je de fijne kneepjes van je ras wilt doorgronden doe je er goed aan elke kans aan te grijpen om onder een rasspecialist in te schrijven. Al kan dat ook heel confronterend zijn. Want rasspecialisten zijn bij uitstek deskundig op en kritisch over ontwikkelingen in de fokkerij. Zij schromen niet om trends te pareren die naar hun idee tegen de standaard ingaan en dus het ras schaden. Dat komt in hun keuring tot uitdrukking.
Zo kan het gebeuren dat de hond die bij algemene keurmeesters al vele malen in de hoogste regionen eindigde vanwege een perfecte presentatie en een oogverblindend gangwerk, door de rasspecialist naar de zijlijn wordt gedirigeerd. Bijvoorbeeld omdat het gangwerk weliswaar spectaculair, maar daardoor niet functioneel is voor de originele werkfunctie van het ras. Of omdat de oogstrelende manier van toiletteren in feite verhult dat een wezenlijke raskenmerk ontbreekt.
Een rasspecialist zal zijn keuring benutten om de honden die ‘het’ nog helemaal hebben met U te waarderen; de andere krijgen een ZG omdat ze - zoals de omschrijving zegt, wel aan de standaard voldoen maar ‘een onvolkomenheid hebben die het rasbeeld verstoort’.
Het is waardevol als expert-keurmeesters een ras op deze manier zo nu en dan een spiegel voorhouden. Dat er exposanten zijn die dat, door gebrek aan inzicht, als krenking van hun trots ervaren moet helaas op de koop toe worden genomen.














