Bewijslast
De bewijslast voor de genoemde redenen van twijfel kunnen als volgt worden omschreven:
Ad 1. indien melding wordt gemaakt dat de uiterlijke kenmerken van pups in het nest niet rastypisch zijn, kan dit ter beoordeling aan een door de Raad aangestelde persoon worden voorgelegd.
Indien deze persoon vaststelt dat de uiterlijke kenmerken niet rastypisch zijn, dan is daarmee onomstotelijk aangetoond dat er reden bestaat tot twijfel en zijn artt. III.14 en III.28 KR van toepassing en zal de Raad van Beheer het nest niet inschrijven, dan wel de reeds bestaande inschrijving doorhalen.
Ad 2. Indien melding wordt gemaakt dat er discrepantie is tussen het phenotype van nakomelingen en het feno/genotype van de vermeende ouderdieren en dit wetenschappelijk volgens huidige genetische wetenschap kan worden onderbouwd, is onomstotelijk aangetoond dat er reden bestaat tot twijfel, zijn artt. III.14 en III.28 KR van toepassing en zal de Raad van Beheer het nest niet inschrijven, dan wel de reeds bestaande inschrijving doorhalen.
Ad 3. Indien melding wordt gemaakt dat de teef gedurende één loopsheid contact heeft gehad met meerdere reuen, zal de indiener hiervoor bewijs aan moeten leveren.
Ad 4. De datum van ontvangst door de Raad van Beheer van de dek- of geboorteaangifte is bepalend. De fokker heeft de zorgplicht dat de aangifte binnen de vastgestelde periode door de Raad van Beheer wordt ontvangen.














